Voorbeelden voor lezingen: Verbuigingssysteem

Het Hoog-Duits excelleert in regels, maar Duitse dialectsprekers storen zich daar nauwelijks aan. Toen ik in de jaren zeventig in de buurt van Duisburg in de trein zat met mijn voeten op de tegenoverliggende bank, zei de conducteur tot mijn verrassing tegen mij:

"Nisch mit die Füsse auffe Bank!"

Dat schijnt in het Ruhrgebied te kunnen. Maar niet alleen daar. In het Berlijnse dialect, waarin het 13de-eeuwse Vlaams en Hollands nog een belangrijke productieve rol hebben gespeeld (icke, watte, ooch en keene), zegt men:

Wat is dat mit dich, mein Kind Du iss mich nich, du trinks mich nich
Du bis mich doch nich krank
So nimm dich was und stipp dich in
So wird dich wieder besser sin.

En de volgende twee prachtige dialectuitingen komen uit Keulen:

Ers häusse mich, dann schlägse misch, dann nimmse misch mein Schäufelschen, isch spiel nisch mehr mit disch.

Komm bei misch bei und spiel mit misch dann lern isch disch wat Deutsch

Nederlanders en Duitsers die elkaars taal willen gaan spreken, moeten het volgende advies opvolgen: Als je het Nederlandse of Duitse woord niet kent, gebruik dan gewoon hetzelfde woord of de letterlijke vertaling. Dat geldt voor zo'n zeventig procent van de Nederlandse en Duitse woordenschat. Je moet natuurlijk wel creatief gebruik maken van de woordovereenkomsten en de klankverschuivingsregels. Er is in 1993 zelfs een Deutsch-Niederländisches Lernwörterbuch verschenen van de hand van Erwin Kuen, waarin hij de sterke klankverwantschap als uitgangspunt neemt. Duitsers moeten alle Umlaute weglaten en Nederlanders moeten ze erop zetten. Dat we die Umläute iets te vaak gebruiken, vinden Duitsers alleen maar charmant, net als wij het schattig vinden als Duitsers zeggen "Ik heb het auto vals geparkt." en het uitproesten als ze zeggen: "Ik kom wel klaar met hem.".

Nederlands en Duits zijn zulke boeiende talen, omdat zij, anders dan het Engels dat al aan het begin van de zin verklapt wat de bedoeling is, de belangrijkste informatie die in het participium verborgen ligt, tot aan het eind van de zin uitstellen. Romaanstaligen en Engelstaligen hebben daar door de eeuwen heen over geklaagd. Neem de Zwitserse intellectuele Madame de Staël die in 1808 een zeer lezenswaardig boek over Duitsland, "De l'Allemagne", publiceerde en daarin schreef:

"De Duitse taal leent zich niet voor geestrijke conversatie, omdat je nauwelijks kunt interrumperen als je het werkwoord nog niet hebt gehoord."

Ook de Amerikaanse schrijver Mark Twain had weinig op met het Duits en heeft er een aantal geringschattende opmerkingen over gemaakt:

"Als een Duitser een zin induikt, dan zie je hem pas weer terug, als hij aan de andere kant van de Atlantische Oceaan naar boven komt met het werkwoord in zijn mond."

en:

"De Duitse taal is een dode taal, want je moet gestorven zijn om tijd genoeg te hebben de grammatica te leren."

Een andere anecdote op dit gebied is die over de nicht van Queen Victoria:

Ze wilde de beroemde redenaar Bismarck in de Reichstag horen spreken en had een tolk ingehuurd om zijn rede te vertalen. Bismarck steekt van wal en spreekt en spreekt, maar de tolk blijft zwijgen. Ongerust spoort ze haar tolk aan. Tenslotte sist ze hem toe: "Wat zegt hij?" Waarop de tolk antwoordt: "Madame, ik weet het niet, hij heeft het werkwoord nog niet genoemd."